I look for art and I make it
from the familiar and the ordinary,
so nobody will notice,
be forewarned,
have time to take an attitude,
be forearmed,
rather they will be surprised,
by something inexplicable
by experience, by an intimation,
without the art situation
or its hallmarks,
they invent it for themselves,
see, not just look.

 

Jag söker och gör konst
av det bekanta och vardagliga
så att ingen skall märka,
bli förvarnad,
hinna ställa in sig,
alltså beväpna sig,
utan överraskas
an någon oförklarlig
upplevelse, aning,
bortom konstens situation
och kännetecken,
själv få upptäcka,
och varsebli, inte bara se.

Anu Tuominen 1995


Anu Tuominen

Daily trips to the flea market have
played havoc with Anu Tuominen’s
living arrangements. Her three studios/
storage spaces are now full, and so is her
flat. "I am too lazy to go to my studios,"
she jokes, "I work at home on the sofa
watching television at the same time."
The Helsinki-based artist created her
first collaged piece after discovering
some old maps in the rubbish. It’s
important to her that she only uses
discarded objects in her work: "I like to
use old school books, books that are not
rare, not valuable. I don’t like cutting,
breaking or destroying things." Paper is
just one of the materials that Tuominen
works with; she also creates three-
dimensional pieces from found objects
and textiles, but she always prefers to
work with existing materials as "it is
more inspiring, it’s ecological and it’s
cheap too".

Caroline Roberts

Richard Brereton with Caroline Roberts: CUT & PASTE. 21ST CENTURY COLLAGE
Laurence King Publishing Ltd, United Kingdom 2011


In tegenlicht / Against-The-Light

Een wit kippenei. Zacht in de kom van de hand. De twee kommen van de gebroken eischaal, ronder en scherper. In de kom van de eischaal een gele bal, de dooier. Eierdop, schaal, pijpenkop, mosselschelp. Kalk van de eischaal, gips, steen, porselein, been, mosselschelp. Een harde schaal met een tere zaagsnede.

Wit en zwart, weerkaatsing en schaduw, vorm en exemplaat, voorwerp. Mat wit, duister zwart. Blauw. In volledig licht en volledigt duister zijn er geen kleuren. De eigen kleur van een materiaal, een door de tijd gevormde kleur. Door de tijd getekend oppervlak en geleerde vorm. Schaduw vormt de partner van licht. De verdwijnende schaduw van het witte ei.

Gelijk en anders. Gelijk uiterlijk, andere functie, gelijke functie, ander uiterlijk. Wanneer een exemplaar alleen materie is. Wanneer een voorwerp een functie heeft, wanneer een voorwerp geen functie meer heeft. Wanneer een voorwerp er niet meer is, hier en met deze naam, wanneer zijn naam is vergeten.

Blokken worden in blokjes gesneden, blokjes slitjen tot ballen, ballen verkruimelen tot zand, zand tot stof, dat door het water wordt afgevoerd. Voorwerpen veranderen in afval, afval verandert in aarde.

Afval, gevonden en opgeraapt afval, gerecycled. Gevonden door stil te staan, door te kijken en te zien, onbewust gevonden, voorvoeld. Schoonheid en wonder. De schoonheid van tijd, de schoonheid en grote betekenisvan het bestaande en van wat eens bestaan heeft, de grootheid van het kleine. Hoeveel moet men weten, aanvankelijk en daarna? Begrijpen en herkennen, op het juiste spoor zijn?

Het licht komt van gisteren . Of van buiten, vanachter gesloten gordijnen, van elders. Verblindt, hoewel het duister is. Wanneer ik vanuit het licht naar het donker kijk, naar binnen. Wanneer ik aan de donkere zijde sta, verberg ik mij binnen. Of, wanneer het donker is, nacht, en de kamer verlicht.

Licht passeert, buigt, wordt minder. Stoffige lichtdeeltjes. Droge mist. Wanneer stof niet meer weg te blazen is. Stof leeft, in stof leven, als stof sterven.

Water als een spiegel in de kan. De spiegel als water in de kan. Stof daalt neer op het onbeweeglijke oppervlak. De aardappelkiemen keren zich naar het licht, de kiemen groeien, de vrucht verwelkt. De lijn van een draad, de groene draad van een klimplant, de draad groeit uit tot een blad, het draadklosje wordt een boom, een pot.

De haard voor het vuur. Voor het vuur houtskool, steenkool, voor het vuur verteerd, turf. De verbrande kandelaar, de afgekoelde schotel, de gebarsten waterkan, het gebroken ei. de weggestroomde dooier. De tuit van de kan, de oren, de voeten. De schedel en zijn neus. Uit het ei is ooit een vogel geboren.

De 3 punten van de driepoot, de 3 zijden. Het ene punt en de ene zijde van een bal. Drie poten geven stabiliteit, met één punt moet naar evenwicht worden gezocht. Het ei rust met één punt op de tafel, een ei raakt een ander ei met één punt. De ronde kan op het ronde statief van de driepoot. De hoek op een rustende lijn, twee punten.

Een plaats aan tafel vinden een ogenblik dralen of blijven. Mentaal, geestelijk, ademhaling. Geschreeuw hoeft niet meer, dat hoor je hier niet, het werk is af. In leer gebonden boeken, verguld op snede, schrijfinkt. Een beeld zonder beeld, beelden weerkaatsen in het glas van de lege lijst. Voor de maaltijd, na de maaltijd. De zoutstrooier voor het ei, de zandstrooier voor de inkt. Alles voor de maaltijd, voor de mond en voor het oog. Warmte voor de huid en de geest.

Voor het licht een armatuur, een lamp, een raam en een gordijn. De kandelaar is verkoold, de lichtbron gedoofd. De kleur van de kaars, de kleur van de lampolie, de kleur van de gordijnstof geeft kleur aan het licht. Een witte, lege kan, een zwarte, lege kan. Voor het licht, voor het donker. Wit voor het zwart en zwart voor het wit. Het wit is al vol wit, het zwart vol zwart. De ruimte van de kan, de ruimte van het meubel, de ruimte van de kamer, binnenkant en buitenkant. De plaats in de ruimte. De plaats in de ruimte. De ruimte van de tijd, de plaats van de geschiedenis. Is er plaats in de geschiedenis, is er in de tijd plaats voor geschiedenis. De geschiedenis van gisteren, geschiedenis morgen. Geschiedenis, beleefde verhalen.

Als de hemel blauw is, is het water ook blauw. Groen is de kleur van het groeien. Geel is de zon en de eidooier. Wit en zwart zijn geen kleuren, ze zijn licht en donker. Alles ligt tussen wit en zwart.

Anu Tuominen
Zuiderzee Muzeum, The Netherlands; Land of Water maart/2009


Where is the Cat in the Catkin?

I have never particularly liked naiveté in art. Nor humour. Taste is a product of history reproduced through education. Ever since I was a small boy I’ve learned to like two kinds of art. It has either been extremely aesthetic - sensitive and beautiful - or imbued with heavy experience, strong expressiveness. But things beautiful and heavy also turn into clichés very soon. And one becomes used to everything. Then along came a new kind of political art, critically analysing gender roles, identity, everyday life and the institutions of art. But for how long can a middle-aged man find something exciting in young women artists studying their identity from one year to another, in almost identical. The result is international clean. At its worst, art is quite boring.

A new start. I have never particularly liked naiveté in art. Nor humour. But then along came Anu Tuominen. Her imagery, continually analysing the cases of language and branching off in all possible directions as voyages and expeditions of discovery, invites the viewer to take part. After many years and many frustrations I finally found an artist whose works I could genuinely - and in a somewhat old-fashioned way - claim to love. I even rediscovered my lost puerile envy: Why didn’t I do that? That’s how it should be! Dammit, why didn’t I think of that?

Anu Tuominen is definitely the most genuine Lévi-Straussian bricoleur that I have ever come across in contemporary art. Her myriad flea-market finds are accumulated, combined, transformed, lined up, concatenated and classified into all areas of our everyday visual world. In addition to the image, she also addresses language, visual idiom and metaphor. Where is the cat in the catkin? Tuominen’s works present an endless array of parallels, analogies, continuums and hierarchies. She transposes the image into words and the word into images, the public into things private, and the private into the public.

When Anu Tuominen begins work on a piece, she is genuinely naive, looking at the world in childlike amazement. She innocently asks all imaginable questions, and their corollaries, boldly posing even stupid ones. But looking at the finished works the viewer does not see a naivist but an innovative and mature grammatologist. Anu Tuominen is also a humorist, but she does not tell jokes. A told joke is deflated, as often happens to initially incomprehensible art once it is understood. Tuominen’s works are not deflated. Inexorably, time and again, she demonstrates how things small are beautiful and large - but above all joyous and fun. Her works present us with a world, our own world, the past world of our grandparents, and the future world of our children, viewed slightly beneath the surface. Tuominen is an archaeologist of knowledge, and a gardener of the image, scraping into view the small roots that often make two plants one. And although post-modernism has taught us that everything has already been done, something completely new is sometimes still created. Anu Tuominen has done that. She developed the poetics of thegrammatology of the everyday.

Otso Kantokorpi, 2001